Lo van Banda – Telegraaf

De lange lijdensweg van Lo van Banda

5 maart 1994, Tekst & fotografie: Rob Hammink

Marten Toonder is bezig met zijn memoires. De geestelijk vader van Tom Poes bereidt zich in lerse eenzaamheid voor op zijn derde boek. Al begin 1992 schreef hij een brief aan Lo Hartog van Banda, zijn trouwe rechterhand, met wie hij 14 jaar Torn Poes en Ollie B. Bommel in leven hield. ‘Beste Lo, zou jij er problemen mee hebben indien ik over de achtergronden van jouw internering zou verhalen?’

Reactie uit Den Haag, 24 juli 1992: ‘Beste Marten, Ik heb er geen enkel bezwaar tegen. Het was pijnlijk, maar eigenlijk het beste dat me is overkomen tijdens de oorlog. De Duitsers noch de Jappen had ik anders overleefd.”

Het verhaal van Lo(dewijk) begint midden jaren dertig op de Haagse tekenacademie; een studie die hij in een vroeg stadium moest afbreken. „Mijn ouders waren gescheiden. Toen mijn moeder overleed, wilde ik niet afhankelijk zijn van een beurs. Alle grond was onder mijn voeten weggeslagen, ik had in Nederland niets meer te zoeken.”

Maar waar naartoe? Lo Hartog van Banda dankt een deel van zijn naam aan het Molukse eiland Banda, waar onder zijn voorouders perkeniers met nootmuskaatplantages waren geweest. Hij koos voor Nederlands-Indië. Hij verkocht wat juwelen van zijn moeder en monsterde aan op een Japanse vrachtboot.

Aangekomen op Sumatra regelde Lo met de HBS en een paar maanden tekenacademie als achtergrond een baan als hoofd van de advertentie-afdeling bij dé krant van Medang: de Dcli, waar hij ‘zijn’ mandoer (chef van een groepje inlanders, red.) en werknemers met ongekend respect behandelde. „De koloniale sfeer vond ik verschrikkelijk. Als je op straat omkeek, kon je er donder op zeggen dat er inlanders met hun fiets in de hand, achter je liepen. Het was verboden om de witte man in te halen. Dat ik iedere ochtend een klerk achterop mee nam, viel natuurlijk helemaal buiten de protocollen.”

De ergernissen stapelden zich op, maar één belangrijk incident zou Van Banda voorgoed stigmatiseren als een anti-koloniaal, een typering die gelijk stond met staatsvijand. Gedreven als hij was, had hij een formule bedacht waarmee advertentie-inkomsten zouden stijgen met 10 %. Een grote cirkel met daarin verschillende adverteerders. Technisch was dit een ingewikkelde klus.

De mandoer liet weten dat hij geloofde in het idee. De chef-drukkerij vond het onzin, zoals hij alles onzin vond. Geforceerd werd het plan met succes uitgevoerd. Van Banda werd door de Nederlandse directie overstelpt met complimenten en kreeg een staffunctie als beloning.

„Maar belangrijker was dat de toch al onderbetaalde inlanders zouden delen in de euforie,” zegt de tanige man als hij zijn ogen, uit meer dan vijftig jaar oude agressie, fel dichtknijpt. „Ik had die mannen zien zwoegen, de hele nacht. Ik had hun zweet geroken. Toen ik me sterk maakte bij de boekhouding, vertelden ze me daar dat die apen gewoon moesten doorwerken of anders moesten opdonderen. Er stapte één iemand op: ik.”

Lo week in 1941 uit naar Java en werd daar direct bij aankomst door de inlichtingendienst in de kraag gegrepen. „Ik had duidelijk vijanden gemaakt.”

Deze privé-oorlog stond in de schaduw van wat er zich ondertussen in Europa afspeelde. Duitsland was bruut Nederland binnengevallen. Weinig bekend is dat er eind jaren dertig ook in Indië duizenden NSBers waren. Het gouvernement had deze groep eerst nooit gewantrouwd. Toen op borrels en bridgeavonden steeds vaker de wreedheden van de Nederlandse collega’s werden besproken, haakten ‘NSBers in Indië’ massaal af. Toch bleef er een harde kern over, die zich niet distantieerde van de nationaal-socialistische ideologie welke door Mussert in Nederland werd gepredikt. Direct na het uitbreken van de oorlog werd in Indië een heksenjacht op ze gemaakt.

„In eerste instantie werden wij, de anti-kolonialen, met rust gelaten, maar dat veranderde toen Japan niet veel later de oorlog begon. De bewindslieden in Indië waren bang dat wij met deze agressor een pact zouden sluiten. Dus hup, ook deze moeilijke jongens werden zonder vorm van proces opgepakt; ik zon beetje als eerste.”

Het verhaal van de 77-jarige Lo Hartog van Banda is een beschamend stuk vaderlandse geschiedenis. In 1942 werd hij in Indië opgepakt en twee jaar vastgezet. Daarna werd hij verscheept naar Suriname en bracht daar 4 jaar onder de meest moordende omstandigheden in een strafkamp door. Dit alles zonder enige vorm van proces. Zijn misdaden? Banda had zich anti-koloniaal gedragen…

NSBers, genaturaliseerde Duitsers, die geen hond kwaad hadden gedaan, en een handjevol anti-kolonialen onder wie de kleinzoon van de schrijver Douwes Dekker omdat hij scholen had opgericht voor de inlanders, werden gevangen gezet in het kamp Ambarawah op Java. Geen officiële aanklacht, geen proces, niets. Lo Hartog van Banda was niet meer te houden. Hij werd steeds recalcitranter en weigerde mee te doen aan wat hij nu „een complete gekte” noemt. Hij werd van kamp naar kamp gesleurd. Hij stak bedden in brand en probeerde tevergeefs te ontvluchten. Toen hij achttien dagen in hongerstaking ging, wilden ze in Indië van deze man af. Het plan was opgevat om al deze ‘storende’ elementen eenmalig op konvooi te zetten naar Australië. Van Banda had er toen al twee jaar gevangenschap op zitten.

De passagiersboot Tjisadane werd voor dit doel geregeld. Op 21 januari 1942 schuifelden 146 al sterk vermagerde gevangenen aan boord. Onder het wakend oog van mariniers werden ze weggestopt, weg van tropenzon en frisse lucht. „Onderdeks was een speciale kooi gelast,” aldus Van Banda. „De kapitein kreeg de boodschap mee dat hij zeer gevaarlijke misdadigers moest vervoeren. Een van mijn medegevangenen heeft later die kapitein eens gesproken. Hij typeerde de reis als de meest vreemde uit zijn loopbaan en vertelde dat er onder de kooi torpedokoppen waren gemonteerd met een ontstekingsmechanisme dat vanuit de stuurhut bediend kon worden. Als we op weg naar Australië aangevallen zouden worden, moest hij de knop indrukken. In geen geval mochten wij levend ontkomen.”

Met vijandelijke boten in de buurt was het een riskante reis. En al snel bleek dat het gemêleerde konvooi moest uitwijken vanwege de overheersing van de Jappen in de Java-zee. De koers werd verlegd naar Suriname. „Het waren veertig verschrikkelijke dagen onder constante bewaking van mariniers met hun tommy-guns. We hadden geen enkele privacy. Zelfs als je op de latrine zat, konden de andere gevangenen je zien. Later bleek dat we door een aantal mijnenvelden waren gevaren.”

Een vergeten schandaal uit onze vaderlandse geschiedenis

De vier jaar strafkamp in Suriname waren een hel voor Lo van Banda. „ Toen ik weer eens werk had geweigerd, nam ik afscheid van het leven. Maar ik kreeg „slechts” enkele maanden eenzame opsluiting. In die tijd keerde ik geheel in mijzelf terug. Zo heb ik kunnen overleven.”

De groep ‘landverraders’ kwam aan in Parimaribo. De ontscheping werd met knuppels en schoppen kracht bijgezet. Vervolgens bracht een kustvaarder de gevangenen vijftig kilometer stroomopwaarts van de Surinamerivier waaraan het einddoel lag: de strafgevangenis Fort Nieuw-Amsterdam. Dit was de groene hel waar de hitte zinderde, de mariniers treiteren tot een deugd hadden verheven en waar water schaars was. Hier in de Jodensavanne, zoals het concentratiekamp officieel heette, zouden Hartog van Banda en zijn lotgenoten vier lange jaren blijven. Alhoewel… Sommigen haalden het einde van de oorlog niet.

Op den duur zouden ze murw geslagen zijn, maar vlak na de internering waren vooral de anti-kolonialen strijdbaar. Ze weigerden werk. Begin oktober 1942 kreeg een groepje gevangenen van de kampcommandant, kapitein Mouwen, een bizarre opdracht: de graven van een nabij gelegen joodse begraafplaats moesten worden geopend. Op zoek naar ‘Wat die oude joden voor een sieraden bij zich hebben. De gevangenen Raedt van Oldebarnevelt, Van Poelje, Kraak en Stulemeyer weigerden. Ze werden vervolgens in de straf cel gegooid waar de onverzettelijke Van Banda al eerder zijn intrek had genomen.

„Met ons vijven bereidden we een vlucht voor. Johnie Kraak had een lepel meegenomen waarvan de steel een zaagje was. Avond na avond, terwijl de anderen zacht neurieden, hebben we gezaagd. Om tien uur ’s avonds op 4 november 1942 wisten de jongens te ontsnappen. Ikzelf was net die dag daarvoor apart gezet,” zegt Van Banda. „Ik had ze nog wel mijn horloge mee kunnen geven, waarmee ze misschien een kaartje konden kopen. Het avontuur was verschrikkelijk. Mijn vrienden werden weer opgepakt; in opdracht van de ons zo bekende overste Meijer, die we nog vanuit Indië kenden, en nu in Suriname territoriaal commandant was.”

De grijze man zoekt nu voor het eerst naar woorden: „In opdracht van hun meerderen hebben twee mariniers Raedt ‘op de vlucht’ doodgeschoten. In koelen bloede. Daarna kreeg Van Poelje de volle laag, maar er was slecht gericht; mijn vriend werd in zijn onderrug en benen getroffen en schreeuwde het uit. De mariniers probeerden hem stil te houden door tegen zijn hoofd te trappen. Hij overleed. Door alle commotie waren nabij gelegerde Surinamers, Amerikanen en directeur Gummels van de aangrenzende strafgevangenis gealarmeerd. Zij stopten deze waanzin, maar iedereen wist wat er was gebeurd. Het moorden stopte, maar de andere vier werden met de handen op hun rug opgesloten, dagen achtereen. Ik was er kapot van.”

Van Banda zag de gevaren van het grillige beleid in het kamp. „Soms waren er goede bewakers, vaak tirannen die dreigden met handgranaten of de kogel. Nadat ik op een dag wederom werk had geweigerd, nam ik afscheid van mijn leven. Tot mijn verbazing werd ik gespaard en hoefde ‘slechts’ enkele maanden in eenzame opsluiting door te brengen. Ik begreep: er was weinig meer te vluchten en de strijdvaardigheid van weleer maakte plaats voor andere krachten.

Zo keerde ik geheel in mijzelf terug. In die maanden heb ik me geen moment verveeld, er was zoveel te denken, zoveel in het verleden te spitten en grenzen te verleggen. Daar, op die paar vierkante meter in Suriname, heb ik de basis gelegd voor mijn latere creativiteit. Marten Toonder heeft me wel eens gevraagd hoe het kwam dat ik nooit een writers block kende. De verhalen stroomden eruit. Ik wees hem dan op mijn interneringsperiode; de tijd waarin ik in gedachten probeerde een blinde de kleur rood uit te leggen. Een tijd waarin geestverruiming me vrij hield.”

Pas toen de oorlog al lang voorbij was, werd deze grote groep, ooit ten onrechte getransporteerd uit Indië, vrijgelaten. Dat was in juli 1946. Nederland wist niet wat ze moest met deze groep. Schuldbesef, dat maar langzaam werd toegegeven. Overste Meijer was getipt en had koers gezet naar een of ander wazig land in Zuid-Amerika. Bij hem viel geen zoete wraak te halen, evenmin bij de moordende mariniers. Voor het wetboek was de zaak verjaard en zij hadden slechts orders opgevolgd. Maar binnen de groep leefde ingehouden woede. De Nederlandse regering moet dat gevoeld hebben en kwam, nadat de weduwe van Raedt van Oldebarneveld een proces wegens oorlogsmisdaden had aangespannen, in 1952 met een briefje voor een ieder. Op het gemeentehuis lag vijfhonderd gulden schadevergoeding. „Ik heb het maar opgehaald en de mensen bedankt. Nogmaals: de opsluiting was het beste wat me had kunnen overkomen. De Duitsers en Jappen had ik niet overleefd.

Rob Hammink: rhammink@xs4all.nl