Anonieme slachtoffers

Naar aanleiding van de publicatie ‘De brandende kampongs van generaal Spoor’ van historicus Rémy Limpach werd in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam een discussiemiddag georganiseerd: ‘dekolonisatieoorlog Indonesië 1945-1950: onverenigbare herinneringen?’ Tijdens deze bijeenkomst ging het om de vraag hoe de Nederlandse samenleving in de afgelopen jaren om is gegaan met de herinneringen aan de dekolonisatieoorlog in Indonesië en hoe we dat in de toekomst zouden moeten doen. Hieronder volgt de bijdrage van Wouter Veraart, hoogleraar encyclopedie der rechtswetenschap en rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Slachtoffers van koloniaal onrecht zijn anonieme gedaanten schilderij Hoge Raad

4 november 2016, Wouter Veraart

Wat verstaan wij onder recht en onrecht? In februari van dit jaar verhuisde de Hoge Raad naar een modern, imposant gebouw in Den Haag. De publieksruimte van deze nieuwe behuizing van ons hoogste rechtscollege wordt opgesierd door een immens schilderij (van 4 bij 6,5 meter) van de kunstenares Helen Verhoeven, dat ook begin dit jaar werd onthuld. Op dit schilderij wordt de rechtspleging van de Hoge Raad verbeeld in een drukke ruimte waarin tal van verwijzingen voorkomen naar recht en onrecht in onze geschiedenis en cultuur. Zo zijn bijvoorbeeld Spinoza, Hugo de Groot, Erasmus en Judith met het hoofd van Holofernes terug te vinden, maar ook verwijzingen naar gruwelen, zoals de moord op de gebroeders De Wit in 1672, de Spaanse burgeroorlog en, prominent, de vervolging van de Nederlandse Joden in de Tweede Wereldoorlog, in de centrale persoon op het doek van de president van de Hoge Raad, Mr. Lodewijk Ernst Visser, die in 1941 als Jood door de bezetter uit zijn hoge ambt werd gezet, zonder noemenswaardig protest.

image002
Schilderij door: Helen Verhoeven

Er is heel veel te zien op dit fascinerende schilderij. Temidden van alle verwijzingen zien we de raadsheren zitten en op de voorgrond bevindt zich een gemêleerd publiek, waarin mensen van verschillende huidskleur en culturele achtergrond te herkennen zijn. Wie zijn die mensen eigenlijk die uit alle windstreken lijken te komen, maar die geen deel van de Hoge Raad zelf uitmaken? Ze zitten niet achter de tafel, maar ze staan ervoor, alsof ze nederig (rustig) op een rechterlijke uitspraak wachten. Ook lijken ze niet allemaal te profiteren van de vele verwijzingen naar recht en onrecht – een aantal van hen lijkt buiten die geschiedenis te vallen.

Laat ik het maar wat pregnanter formuleren. Waarom vind je op dit ambitieuze schilderij over recht en onrecht en de Hoge Raad niet één verwijzing naar het koloniale onrecht, naar de zwarte bladzijden van ons koloniale verleden? Waarom moet de verwijzing naar die anderen, naar die voormalig gekoloniseerden – degenen met die andere geschiedenis, omdat hun voorouders geleden hebben onder Nederlandse slavernij of onder Nederlandse koloniale misdrijven in een recent of een verder verleden – beperkt blijven tot anonieme gedaanten in een afwachtende menigte, met niet of nauwelijks een gezicht? Omdat – denk ik – dit schilderij nog steeds een onderdeel is van een paradigma van juridisch en politiek zwijgen over het koloniale onrecht, dat verborgen blijft onder het vloerkleed van deze overdadige rechtszaal.

Er is niet alleen dit kunstwerk, maar ook een adagium (rechtsspreuk), dat relevant is voor mijn verhaal. Ubi iudicia deficiunt incipit bellum. Waar rechtsoordelen ontbreken, begint de oorlog, zijn de gevleugelde woorden van Hugo de Groot die de façade van de nieuwe behuizing van de Hoge Raad tooien. Voor vandaag zou ik die spreuk willen aanpassen: waar rechtsoordelen ontbreken, neemt de oorlog geen einde (ubi iudicia deficiunt bellum perpetuum est), en zullen we nooit in staat zijn om in het reine te komen met dat koloniale verleden. Als het gaat om het onderwerp van vandaag, het structurele geweld tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in voormalig Nederlands-Indië, heeft niet de Hoge Raad, maar een lagere rechter, de rechtbank Den Haag, allereerst in de Rawagedeh-uitspraak uit 2011, een paar forse stappen gezet door ondanks civielrechtelijke verjaringstermijnen de Nederlandse staat aansprakelijk te stellen voor onrecht dat destijds door Nederlandse militairen tegenover de burgerbevolking is aangericht. Daarmee heeft de rechtbank in mijn ogen een bres geslagen in het juridisch vergeten; iets waarop verjaringstermijnen, zowel in het civiele recht als in het strafrecht, zijn gericht – en een vorm van juridisch herinneren mogelijk gemaakt.

Dit zijn zeer moedige uitspraken omdat zij een eerste formeel-juridische erkenning inhouden van groot onrecht uit een juridisch weggestopt verleden, waarbij de slachtoffers van dat geweld heel voorzichtig een gezicht hebben gekregen en een vorm van compensatie aan sommige nabestaanden van slachtoffers van enkele van die misdrijven is toegekend. Het zou mooi zijn als in de nabije toekomst ook de Hoge Raad een uitspraak doet op dit terrein, zodat de blinde vlek in het schilderij van Verhoeven door het college zelf wordt gecorrigeerd.

Ik wil eindigen met twee opmerkingen waarover we misschien vandaag of na vandaag nog verder kunnen praten. Ten eerste: rechterlijke uitspraken, inclusief een uitspraak van de Hoge Raad acht ik nodig om tot een wijziging van het dominante (officiële) geschiedenisbeeld te komen, in de richting van een meer inclusieve benadering van de geschiedenis die ook recht doet aan de verhalen van de slachtoffers van structureel koloniaal geweld. Het zou daarbij zeker helpen wanneer rechters en ambtenaren creatiever en minder krampachtig over reparaties nadenken. Die hoeven niet uitsluitend gericht te zijn op in geld uitgedrukte compensatie voor wat in het verleden is gebeurd, maar zouden ook een toekomstgericht, cultureel of meer collectief karakter kunnen hebben.

Ten tweede: wie waren de mensen die onderworpen werden aan het geweld dat door het Nederlandse gezag werd goedgekeurd of zelfs georkestreerd en dat door Limpach nu als zodanig wetenschappelijk is aangetoond? Vallen zij buiten onze geschiedenis of horen zij er, juridisch, historisch, gewoon bij? Hoe kunnen we hen eren (recht doen in de tijd waarin we nu leven), hun een gezicht en de plek geven die hun toekomt in de vaderlandse geschiedenis? Om dat te bereiken hebben we de verschillende perspectieven die we vandaag bespreken heel hard nodig. En de juridische dimensie zeker niet in de laatste plaats. Ik dank u voor uw aandacht.