Bezwaren tegen het Nederlandse onderzoek – Open Brief

Bezwaren tegen het Nederlandse onderzoek ‘Dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950’

Jeffry Pondaag en Francisca Pattipilohy namen het initiatief voor het opstellen van een open brief, waarvoor Histori Bersama een platform heeft geboden. De brief is maandag 27 november j.l. verstuurd aan drie Nederlandse ministeries: 1) het Ministerie van Algemene Zaken, 2) het ministerie van Buitenlandse Zaken en 3) het Ministerie van Defensie. Met CC aan: de Indonesische regering, tevens via persbericht aan Indonesische en Nederlandse media en universiteiten en onderzoeksinstituten,

Hierbij vragen wij uw aandacht voor de bezwaren die zijn gerezen tegen het Nederlandse onderzoeksproject “Dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950”. Onderstaand commentaar is een reactie op de onderzoeksopzet zoals deze op de website van het project is geplaatst en zoals de opzet door de drie instituten, het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlandse Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), op 14 september jl. in Amsterdam werd gepresenteerd.

Vooropgesteld dat meer onderzoek naar deze periode toe te juichen is, richten wij onze bezwaren op de politieke besluitvorming en de manier waarop het onderzoek nu opgezet en geleid wordt. Kort gezegd stellen wij dat deze studie niet onafhankelijk is en menen wij dat de opzet cruciale zaken buiten beschouwing laat.

Aanleiding onderzoek

Allereerst een aantal vragen en opmerkingen wat betreft de aanleiding voor het plotseling overstag gaan van de Nederlandse regering. Na een eerste afwijzing in 2012 besloot de overheid eind vorig jaar om alsnog nieuw onderzoek naar 1945-1949 te financieren. De publicatie van “De brandende kampongs van Generaal Spoor” zou de doorslag hebben gegeven. De vraag is echter waarom specifiek dit promotieonderzoek van Rémy Limpach de regering overtuigde? Bracht Limpach werkelijk totaal nieuwe feiten aan het licht waardoor de regering eind 2016 tot inzicht kwam? Zou zijn publicatie ook tot grootschalig onderzoek hebben geleid als de rechtszaken van stichting Komite Utang Kehormatan Belanda (K.U.K.B.) de Nederlandse Staat niet tot compensaties en excuses had gedwongen? Dit zijn cruciale vragen gezien de dubbele rol van het overheidsinstituut NIMH waar Limpach aan verbonden is. Zoals bekend voert K.U.K.B. sinds 2008 succesvolle rechtszaken tegen de Nederlandse Staat, waarvan een deel nog loopt. Daarnaast werden ook de drie Nederlandse instituten door de rechtszaken met de neus op de feiten gedrukt, zij hebben niet spontaan voor nieuw onderzoek gepleit. De vraag is dus waarom de overheid pas na de publicatie van Limpach groen licht heeft gegeven voor nieuw onderzoek. Het omarmen van Limpachs studie enerzijds en het negeren van K.U.K.B. anderzijds is precies waar het wringt en waar onduidelijkheid over bestaat.

Belangenverstrengeling

Het lijkt geen toeval te zijn dat de regering overstag is gegaan door de studie van een onderzoeker die onder het ministerie van Defensie valt. Het discutabele aan de deelname van het NIMH aan het nieuwe onderzoek is dat Limpach en zijn team verantwoordelijk zijn voor de historische verificatie van de Indonesische claims. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat zijn proefschrift (oorspronkelijk in het Duits geschreven) eerder nog onder embargo werd geplaatst totdat de Nederlandse vertaling gereed zou zijn. Liesbeth Zegveld, die als advocate van de Indonesische nabestaanden optreedt, protesteerde hiertegen in oktober 2015 omdat zij het onterecht vond dat de staat hierdoor een voorsprong in kennis had. De regering kon immers voor de verdediging steunen op de expertise die Limpach inbracht. De dubbele rol van het NIMH en Limpach wekken sterk de schijn van belangenverstrengeling. Toen de Nederlandse regering in 1996 opdracht gaf om onderzoek te doen naar de rol van het Dutchbat in Srebrenica werd NIMH daar bewust niet bij betrokken. Waarom wordt hier nu geen rekening mee gehouden?

De afstand die het onderzoeksteam houdt ten opzichte van K.U.K.B. is tekenend. Zo is de stichting niet benaderd om deel te nemen aan het klankbordoverleg. Ook werd voorzitter Jeffry Pondaag niet uitgenodigd om tijdens de kick-off te vertellen over wat hem drijft en waarom hij zich al die jaren actief met het onderwerp bezighoudt.
Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat het promotieonderzoek van Limpach door een buitenlandse universiteit is gefinancierd en het NIMH het onderzoek pas heeft omarmd toen de rechtszaken, en de bijbehorende excuses en compensaties, een politieke realiteit waren geworden.

Overheid stelt voorwaarden

Los van de rechtszaken en het NIMH is het eveneens zorgelijk dat politieke onderhandelingen zijn gevoerd om bepaalde onderwerpen prominent op de onderzoeks-agenda te plaatsen. Dat het Indonesische geweld tijdens de zogeheten “Bersiap-tijd” nu nadrukkelijk aandacht krijgt, was een onderhandelingseis van de VVD die over de koloniale oorlog spreekt als “waar twee vechten, hebben twee schuld”.

NIOD-directeur Frank van Vree schreef op 9 februari 2017 aan de Tweede Kamer dat de drie instituten zich uitstekend kunnen vinden in de inhoudelijke voorwaarden die het kabinet had gesteld. Wat opvalt, is dat de opzet precies aansluit bij de wensen en de visie van de regering, die op hun beurt inspiratie lijken te hebben geput uit de onderwerpen die Limpach in het slotwoord van zijn boek aandraagt. Blijkbaar betaalt de regering niet slechts, maar bepaalt deze ook de inhoud. Op zijn minst is er sprake van een nauwe samenwerking tussen opdrachtgever en uitvoerder. Wij vrezen dat de studie op deze manier niet onafhankelijk kán zijn.

Kolonialisme geen punt van analyse

Hoewel oud-minister Ben Bot al in 2005 zei dat Nederland met de koloniale oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond, laat de huidige onderzoeksopzet niet zien dat met deze uitspraak werkelijk de knop is omgezet. Het onderzoek begint bij de analyse van het geweld aan beide kanten, maar neemt het feit dat een koloniale oorlog werd gevoerd voor kennisgeving aan. Met het onderzoek denkt men het Nederlandse geweld te kunnen verklaren door de brede context van de naoorlogse dekolonisatie te bestuderen op: (internationaal) politiek, bestuurlijk, justitieel en militair niveau. Echter, wij stellen dat het uitgangspunt zou moeten zijn dat de kolonie Nederlands-Indië om te beginnen al geen legitieme regering had. Nederlandse militairen die zich niet direct aan oorlogsmisdaden schuldig maakten, waren net zo goed onrechtmatig in Indonesië. KITLV-onderzoeker Henk Schulte Nordholt vatte treffend samen waar het wringt in de Nederlandse omgang met het koloniaal verleden: “de koloniale aanwezigheid zelf is geen punt van analyse. Als het over geweld gaat, praten we graag over excessen, een incident, een overgangsverschijnsel, eigenlijk in termen van een ongelukje, terwijl dat veel fundamenteler was. … iets wat Nederlandse geschiedschrijvers niet graag willen zien.” Schulte Nordholt zei dit zeventien jaar geleden maar anno 2017 is zijn commentaar nog steeds actueel.

Het punt is dat de koloniale mind-set van toen (en hoe dit doorwerkt tot nu) niet als zodanig wordt geproblematiseerd. Zo wordt niet duidelijk hoe die moeizame verwerking van de oorlog in verband staat met de continuïteit van de koloniale mentaliteit. Onderzoek naar de periode 1945-1949 dient naar onze mening in elk geval rekening te houden met de volgende punten:

1) De onderzoekopzet moet de koloniale context als uitgangspunt nemen, alsmede de invloed van het kolonialisme op de verhoudingen en het denken van vandaag de dag.

2) De Indonesische onderzoekers verdienen een autonomere en prominentere rol.

3) De regering kan geen inhoudelijke voorwaarden stellen en aanverwante instanties of militairen dienen zich niet met het onderzoek naar dit politiek gevoelige onderwerp te bemoeien. In plaats van het NIMH zouden externe relevante instituten en organisaties betrokken moeten worden.

4) De samenvattende synthese kan onmogelijk door één persoon geschreven worden. Wij vinden de keuze voor KITLV-directeur Gert Oostindie als schrijver van de samenvatting niet te verantwoorden, aangezien hij geen Indonesië-kenner is.


Download hier de brief + uitgebreide bijlage met 13 punten: 

Namen ondergetekenden, (in totaal 126):

Jeffry Pondaag (Voorzitter K.U.K.B.)
Francisca Pattipilohy
Iwan Faiman
Surya Nahumury
Nico Vink
Rosa te Velde
Dr. Ethan Mark (Chair and University Lecturer of Asian Studies, Universiteit Leiden)
Patricia Kaersenhout
Yvonne Rieger-Rompas (Dueren, Duitsland)
Prof. dr. Saskia E. Wieringa (Universiteit van Amsterdam)
Linda Lemmen
Arjanti Sosrohadikoesoemo
Teddy Rachmat
Max van der Werff
Doorbraak
Elselies Vierhout
Max van Lingen (Bestuurslid Internationale Socialisten)
Dr. Carolyn Nakamura
Prof. Dr. K. Cwiertka (Modern Japan Studies, Universiteit Leiden)
P. Jong Loy (Voorz. Vereniging Opo Kondreman)
Marjolein van Pagee (Oprichter Histori Bersama)
Dr. Rushdy Hoesein  (Universitas Indonesia)
Prof. Dr. Boudewijn Walraven (professor emeritus, Universiteit Leiden)
Sander Philipse
Dana Mclachlin
Sylvia Dornseiffer
Lev Nisan Gunti
Rob van Asdonck
H. van Kasbergen (Secretaris van de AFVN-Bond van Antifascisten)
P. van Griensven (Penningmeester van de AFVN-Bond van Antifascisten)
A. Graaff (Woordvoerder van de AFVN-Bond van Antifascisten)
Michael van Zeijl (Actiegroep de Grauwe Eeuw)
Prof. Dr. Egbert Dommering (hoogleraar informatierecht, Universiteit van Amsterdam)
Bari Muchtar
Daniel Chandra Lubis
Fred Papenhove
William Deymann
Ady Setyawan (Roode Brug Soerabaia)
Yita Dharma
Frans Vermeulen
Abdul Rohman (Probolinggo, Oost-Java)
Stephany Iriana Pasaribu
Arjan Onderdenwijngaard (Rumah Kahanan, artspace Depok, Indonesië)
Maurits Rade
Kaleb de Groot
Saida Derrazi (Comité 21 maart)
André Marques
Marjan Boelsma
André Kaïjim
Tess Verbaarschot
Willem Bos (SAP/grenzeloos)
Max de Ploeg
Hagar Michel
Irwan Lubis S.H.
Patty D. Gomes
Simone Zeefuik
Dr. Patricia Schor
Eileen Matthijssen
José Mooren
Marlesy K. Latumahina
Melita Tarisa
Wil Adriaans
Matthea Westerduin
Dirk Wanrooij
Fallon Does
Mikki Stelder (Amsterdam School for Cultural Analysis)
Anna de Ruiter
BIJ1 (Politieke partij)
Radicaal (politieke jongerenorganisatie BIJ1)
Brigitte Gabel
Dorine van Meel
Jasper Sparnaay
Sam Pormes
Makmur Sturing
D.E. Popov
Willem Rabbeljee
Michiel van Loo
S.C. Degener
drs. Feddo Oldenburger
drs. Carla Oldenburger-Ebbers
Marit van Splunter (Dekolonisatie netwerk voormalig Nederlands-Indië)
Sarieke de Jong (Dekolonisatie netwerk voormalig Nederlands-Indië)
Jazie van Veldhuyzen (Dekolonisatie netwerk voormalig Nederlands-Indië)
Phaidra Johannis (Dekolonisatie netwerk voormalig Nederlands-Indië)
Bayu Junaid (Dekolonisatie netwerk voormalig Nederlands-Indië)
J. Albinus
Ümidt Dag (Opticiens, Nederland)
Hj. Kasmawati Kadar (Makassar, Indonesië)
Hj. St Saerah (Makassar, Indonesië)
Karyadi Kadar (Makassar, Indonesië
Kusniati Kadar (Makassar, Indonesië)
Suaeb Pasang (Makassar, Indonesië)
Muh. Fajri Salim (Makassar, Indonesië)
Joop Burgerhout (Psycholoog, socioloog, Docent HBO, Voorschoten)
Hans Boot (Redactie Solidariteit)
Bert Maathuis (Almelo)
Anne-ruth Wertheim
Aboeprijadi Santoso
Karlijn Roex
Maja Pattipilohy
Carol Burgemeester
Tino Pattipilohy
Britte Sloothaak (Kunsthistoricus)
Sjane de Fretes (Capelle aan den IJssel)
Eric Kampherbeek
Charlie Munster
Nyonky Resley
Adeh Salakory
Taskforce Maluku & Maluku Utara (Part of Global Network Diaspora Indonesia)
M. Kakisina
Flavia Dzodan
Pieter Anthony
Sasha Mahe (Parijs)
Federico Lafaire
Frieda Amran
Martin Basiang S.H. (Deputy Attorney General (Ret.) Republik Indonesia)
Charles Esche (Directeur Van Abbemuseum, Eindhoven en Professor University of Arts London)
Frederico Lafaire
Armando Ello
Anneloes van der Horst
Thomas Rieger (Historicus, Hamburg)
Fia Hamid-Walker (Public interests trainee lawyer, Melbourne, Australia)
D.T. Sariman (Amsterdam)
Iben Trino-Molenkamp
Wahyu Iswandi
Prof. Dr. Jan Breman (Hoogleraar Sociologie Erasmus Universiteit en Universiteit van Amsterdam)
Peter Flohr